Beelddenken

Op school

In iedere klas zitten wel een of twee beelddenkers. Dat zijn leerlingen die in de onderbouw, groep 1 en 2, vaak goed mee kunnen komen. Maar als ze dan in groep 3 komen ervaren ze problemen bij het lezen, schrijven en/of rekenen. De leerkracht kan vaak niet duidelijk aan geven waar het aan ligt. Het kind is slim en ondernemend. Verder is het kind vaak enthousiast en erg creatief.

Daardoor vraagt de leerkracht zich af waar dan precies het probleem zit. Het begrip beelddenken is echter nog vrij onbekend. Dat is dan ook de reden waarom beelddenkers niet herkend worden.

 

Daardoor ontstaan er steeds grotere leer- en/of gedragsproblemen.

  • Beelddenkers zijn visueel – ruimtelijk ingesteld. Ze werken het liefst met de ogen. Luisteren gaat moeilijker. De ogen gaan voor de oren!
  • Beelddenkers hebben de capaciteit om snel ingewikkelde situaties te overzien en zijn sterk in het leggen van verbanden. Daardoor zijn zij in staat om heel originele oplossingen te bedenken.
  • Beelddenkers hebben de neiging om chaotisch te zijn. Dit komt door hun associatieve, snelle denkwijze.
  • Beelddenkers zijn snel afgeleid. Als ze ergens mee bezig zijn zien ze al snel iets nieuws om te doen.

Een opdracht die bestaat uit meerdere opdrachten is voor een beelddenker onmogelijk. Als de beelddenker naar de opdracht luistert ziet hij het beeld van de opdrachten voor zich. Hij denkt dat hij deze opdrachten al gedaan heeft en gaat dan rustig iets anders doen. Ouders van beelddenkers hebben echt het gevoel dat hun kind nooit luistert. Dat is geen onwil, maar onmacht. Het laten herhalen van de opdracht is dan ook de beste oplossing.Beelddenkers denken in beelden, niet in taal. Daardoor hebben ze moeite met de “vertaling” naar de juiste woorden. Vaak hoor je ze praten in termen als” Dinges, Je weet wel!! Ze zien in hun hoofd het plaatje maar kunnen het woord wat erbij hoort niet zo gauw vinden. Als een beelddenker een stoel in gedachten heeft dan blijft die stoel een stoel. Of die stoel nu achterstevoren of op zijn kop staat: Het blijft een stoel.                                                                                                                        Op het moment dat ze beginnen met het leren van letters en hun klanken dan vormt dit een probleem. Als je een b andersom zet is het een d, of een p. De beelddenker blijft deze letter als een b zien.Hoe ontstaat beelddenken?

Alle mensen worden als beelddenker geboren. Tot een jaar of 4 zijn alle kinderen beelddenkers. Ze denken in gebeurtenissen. Langzaam komt het taaldenken op gang. Het denken in beelden wordt dan steeds minder. Na het tiende jaar stopt het proces. Er zijn mensen die een voorkeur blijven houden voor het denken in beelden. Dat zijn de “beelddenkers”. Tot het tiende jaar kunnen we nog sturen en begeleiden. Hoe eerder een beelddenker (h)erkend wordt, hoe beter het kind begrepen wordt..thuis en op school!

Op de basisschool ligt de nadruk op volgorde en details. Dat is nu net iets waar de beelddenker moeite mee heeft. Het onthouden van letters en de daarbij horende klanken geeft vaak problemen. Automatiseren van tafels en sommen onder de 20 gaat moeizaam. Bij het spellen zien we veel oriëntatiefouten. De letters s-z en f-v worden verwisseld. Taalregels worden slordig gehanteerd. Beelddenkers vinden de inhoud belangrijk en niet de vorm. Daardoor komen ze slordig over. Toch weten ze heel goed waar de tekst globaal over gaat.  Het zijn de details waar ze meer moeite mee hebben. Verder letten beelddenkers op overeenkomsten. Dat gaat boven het letten op verschillen. Beelddenkers hebben een grote vrijheidszin en brede belangstelling. Hun geheugen is goed als het gaat om de dingen die gebeurd zijn of de dingen die ze meegemaakt hebben. Ze zijn sociaal heel bewogen.

Waar komt het beelddenken vandaan?

De term ‘beelddenken’ is afkomstig van de Haagse logopediste Maria J. Krabbe. Zij kwam in de jaren dertig met de theorie dat er mensen zijn die in beelden denken in plaats van in taal. Haar werk werd voortgezet door Nel Ojemann, Montessori-leerkracht, remedial teacher en docente aan de Universiteit van Groningen. Zij ontwikkelde een onderzoeksmethode waarmee je de beelddenkende leerling kan signaleren: Wereldspel.Waaraan herken ik een beelddenker?  Beelddenkers hebben een voorkeur voor de beelden boven de taal. Hun visuele vermogen (kijken) is sterker dan het auditieve vermogen (luisteren). Ze ontwikkelen daardoor een eigen, vaak originele woordenschat. (aloge – horloge, stokkontakt – stopcontact). Dit blijft ook op latere leeftijd een belangrijke rol spelen. Als baby hebben beelddenkers, een wat kwijlend mondje. Ze leren wat later lopen. Als ze gaan lopen kijken ze veel naar hun voeten omdat ze willen zien wat ze doen. Als peuter hebben ze een groot inlevingsvermogen. Heftige driftbuien kunnen voorkomen als het kind uit het spel gehaald wordt. Bouwmaterialen zijn favoriet. Verder zien we een hardnekkig doorzettingsvermogen. Als het kind ouder wordt blijft de taalontwikkeling vaak achter.  Ze hebben moeite met iets onder woorden brengen. Ze spelen graag het clowntje, zijn speels en hebben moeite met ruzies en conflicten. Ze zijn emotioneel erg kwetsbaar. Ze hebben moeite met concentreren. Verder hebben ze een groot gevoel voor humor en kunnen ze de mooiste fantasieverhalen vertellen.

Steun voor BEELDDENKEN vanuit wetenschappelijk onderzoek

Jaap Murre, hoogleraar Theoretische Neuropsychologie aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam en Duke University, in het voorjaar van 2010 het wetenschappelijk onderzoek afgerond over het visuele- en verbale leersysteem van mensen: `Rise and Decline of Verbal and Visuospatial Memory.`

Aan het onderzoek hebben 28.000 mensen deelgenomen in de leeftijd van 11 tot 80 jaar. Er werd onderzocht hoe zich de geheugencapaciteiten ontwikkelen en hoe de afname van de geheugenfuncties verlopen.

Uit dit wetenschappelijk onderzoek komt onder andere duidelijk naar voren dat het geheugen van mensen vanaf het vierde jaar een voorkeur krijgt voor een van beide systemen: Verbal Memory (taaldenken) of Visuospatial Memory (beelddenken). Het onderzoek toont aan dat één van deze systemen dominant is. Deze dominantie geldt voor zowel het korte termijn geheugen als het lange termijn geheugen. Er is dus bij mensen vanaf het vierde jaar een duidelijke voorkeur te onderscheiden voor een van beide geheugensystemen.

Hoewel uit het onderzoek naar voren komt dat mensen een voorkeur laten zien in of Verbal Memory of Visuospatial Memory, sluit dit niet uit dat er een groep mensen is die in beide leersystemen dominant is. Uit verder onderzoek is gebleken dat deze dominantie voor meer dan 40% erfelijk wordt bepaald.

Beide geheugensystemen vereisen een andere manier van leren en werken. Een Beelddenker werkt op inzicht, doorzicht en vanuit het geheel. Een Taaldenker leert onderdelen op volgorde vanuit de analyse.

Beelddenken in de praktijk staat al jaren achter de stelling dat het talige onderwijs beelddenkers tekort doet. Hierdoor verliezen we als maatschappij onnodig veel talenten. Niet de leerstof is het probleem, maar de manier van lesgeven.

Het wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van deze twee geheugensystemen en de invloed die dit heeft op de manier van leren en werken, is een erkenning voor de beelddenker en al zijn talenten! We zijn blij met deze bevestiging en hopen dat dit invloed zal hebben op begrip en veranderingen binnen school en bedrijfsleven.

Gaat beelddenken over?

Nee! Beelddenken is aangeboren en erfelijk. Vaak is een van de ouders ook beelddenker en herkent de ouder zichzelf bij het lezen van de beschrijvingen over beelddenkers.Dat is een prettige bijkomstigheid want op die manier kan de ouder het kind veel beter begrijpen en helpen. Het is wel zo, dat het beelddenken daardoor in de familie blijft en niet over gaat. Er wordt wel eens gezegd dat beelddenken een lastige “gave” is. Lastig want de omgeving heeft er vaak geen begrip voor. Er wordt geleefd vanuit het gevoel en de beleving. Het kijken gaat voor het luisteren. Het probleem zit hem eigenlijk in de gestructureerde talig ingestelde maatschappij. Voor beelddenkers is het moeilijk om zich daaraan aan te passen. Beelddenkers en tijd. Ze hebben het idee dat ze een enorme hoeveelheid tijd hebben. Meer dan in werkelijkheid het geval is. Ze vergeten afspraken, hebben geen belangstelling voor de klok en komen tijd tekort. Doordat ze zich dan moeten haasten zijn ze vaak slordig. Beelddenkers reageren snel. Ze zien de oplossingen als het ware al in hun hoofd. En denken dan het antwoord al te weten voordat de zin uitgesproken is. Daardoor zijn ze ook geneigd om te denken dat ze hun huiswerk al af hebben. Omdat beelddenkers allerlei gedachtesprongen maken komen ze soms chaotisch over. Ze hebben korte duidelijke opdrachten nodig. Hulpmiddelen als briefjes, agenda’s en planborden willen ook wel eens helpen. In de eerste jaren van het voortgezet onderwijs hebben beelddenkers moeite met het leren van de nieuwe talen. Vanaf de derde, vierde klas gaat het vaak beter. Dit komt doordat het onderwijs dan  meer gericht is op het verwerven van inzicht (de sterke kant) en dan hoeven ze minder uit het hoofd te leren. Veel beelddenkers slagen dan ook voor hun HAVO of VWO diploma.

bdip hele logo